Design tussen 1850 en 1910

Aan de vooravond van de 20ste eeuw hadden de snel op elkaar volgende technologische vernieuwingen een enorme invloed op het maatschappelijk leven. De verbrandingsmotor, de elektrische motor en de eerste stappen in de telecommunicatie deden de producenten dromen van nooit geziene vormen van efficiëntie. Producten die voordien met de hand gemaakt waren konden nu vlugger en goedkoper gemaakt worden door machines, die de rol van de vakman ondermijnden en overnamen.

De machine zorgde ook voor een omwenteling in het dagelijkse leven, zodat met de komst van de radio, de televisie en de telefoon communicatie thuis en op het werk helemaal opnieuw moest worden gedefinieerd. Assemblagelijnen verhoogden de productie van voertuigen drastisch, waardoor het motorvoertuig binnen het bereik kwam van meer consumenten.

In 1903 brachten de gebroeders Wright de eeuwenoude droom van velen, om te kunnen vliegen, in vervulling door een veertig meter lange vlucht te maken met hun vliegtuig dat werd aangedreven met petroleum. Zes jaar later zou Louis Blériot met zijn kleine monoplane een afstand van tweeënveertig kilometer afleggen tussen Frankrijk en Engeland in een vlucht over het Kanaal. Dertig jaar later zouden vluchten over heel de wereld mogelijk worden voor diegenen die het konden betalen.

Arts and Crafts-Beweging

Hoewel een product van het Victoriaanse tijdperk, heeft de Arts and Crafts-beweging een erfenis nagelaten die tot ver in de 20ste eeuw voelbaar was. De eerste zorg van de leidende figuren van die beweging was dat de fabrikanten uit het machinetijdperk eerder gedreven werden door kwantiteit dan door kwaliteit. De meest in vloedrijke ontwerper en theoreticus was William Morris (1834-’96). Zijn bedrijf, Morris and Co, produceerde diverse artikelen: meubels, gekleurd glas, behang papier, stoffen en aardewerk.

Voor Morris waren kunst en ambacht even waardig, en bij de uitvoering van zijn ontwerpen deed hij dan ook een beroep op zowel ambachtslieden als kunstenaars. Het werk van de Arts and Crafts beweging wordt gekenmerkt door verwijzingen naar de Middeleeuwen en naar de “gothic” (de sfeer die werd opgeroepen in de 18de en 19de eeuwse griezel romans).

Morris streefde ernaar om de hand van de vak man te tonen in zijn ontwerpen, om ze zo te onderscheiden van machinaal gemaakte producten. Bij de robuuste, eenvoudige meubels waren de aanhechtingspunten bewust zichtbaar gelaten en in de metalen onderdelen was het werk van de vakman duidelijk te herkennen aan het smeedwerk. Morris geloofde dat goede ontwerpen volksverheffend waren. En wou daarmee een bijdrage leveren tot een betere maatschappij een overtuiging die de modernisten uit de jaren ’20 met hem deelden.

Hoewel de Arts and Crafts-beweging in Groot-Brittannië begon, waren er ook Europese en Amerikaanse tegenhangers. Workshops of gilden die Morris’ ideeën volgden, ontstonden in heel wat landen. Terwijl de Amerikaanse designers, zoals Gustav Stickley, het Britse model getrouw volgden, gingen de Europeanen geleidelijk aan hun eigen weg en gingen ze vlugger op in de art nouveau en het modernisme.

Art Nouveau

Rond de eeuwwisseling was de dominante beweging van de volgende tien jaar, de art nouveau, al een feit. Ze ontstond uit de Arts and Crafts-beweging en uit het 19de-eeuwse estheticisme. In tegenstelling tot de Arts and Crafts beweging was deze stroming niet afkerig van nieuwe materialen of massaproductie. Terwijl de ontwerpers ook in het verleden hun inspiratie vonden, deelden ze toch een enthousiasme voor de toekomst, wat hen duidelijk onder scheidde van de voorafgaande stijlbewegingen.

De naam is afgeleid van de kunsthandel van Samuel Bing, l’Art Nouveau, die in 1895 in Parijs geopend werd. Vooraanstaande ontwerpers uit heel Europa werden uitgenodigd om er hun werk tentoon te stellen, waaronder de Belg Henry van de Velde (meubels), de Amerikaan Louis Comfort Tiffany (glaswerk) en de Fransen Emile Gallé (glaswerk) en René Lalique. Deze laatste was een van de sleutelfiguren van de art nouveau. Zijn verfijnde juwelen, vaak met planten of insectenmotieven, waren vervaardigd van glas, halfedelstenen en goud.

Hoewel de art nouveau zich in elk land afzonderlijk ontwikkelde (hij stond heel dicht bij de Jugendstil in Duitsland, de Sezessionstil in Oostenrijk en de Stile Liberty in Italië), was de stijl toch makkelijk herkenbaar aan de vloeiende, organische vormen. Het belangrijkste kenmerk van de art nouveau-ontwerpen was de ‘zweepkoordkrul‘, die bepalend was voor de vorm en de versiering van de ontwerpen. De organische vloeibaarheid van de krul vond zijn oorsprong in de natuur, en meer bepaald in het plantenrijk.

Er zijn ook verwijzingen terug te vinden naar vroegere culturen, zoals de Keltische kunst of het rococo; De art nouveau kon zowel als een naturalistische als een abstracte kunstvorm beschouwd worden. De ideeën ervan konden op zowat alles worden toegepast, van juwelen tot architectuur. De belangrijkste ontwerpen van deze stijlbewegingen werden gemaakt in België, Frankrijk, Oostenrijk en Schotland.

De Glasgow-School

In Schotland maakte de Glasgow-school, een kleine maar alom gewaardeerde groep van designers, geleid door architect en ontwerper Charles Rennie Mackintosh, ontwerpen die het functionalisme van de Arts and Crafts-beweging combineerden met de weelderige decoraties van de art nouveau. De ontwerpen waren vaak geometrisch meteen vloeiend lijnen patroon, gebaseerd op organische vormen.

Reageren is niet mogelijk