Design tussen 1920 en 1930

De Zwitserse architect Le Corbusier ontwierp een van de paviljoenen van de in 1925 in Parijs gehouden en zeer invloedrijke Exposition Internationale des Arts Oécoratjfs et Industriels, en noemde het L’Esprit Nouveau. Het was een schoolvoorbeeld van de modernistische architectuur: een betonnen constructie met eenvoudige, witte muren en grote glasoppervlakken en een compromisloze geometrische vorm. Het werd ingericht met commerciële, pretentieloze meubels, waaronder de Thonet-armstoel van gebogen hout. Le Corbusiers bijdrage aan de tentoonstelling was niet erg belangrijk. Het waren eerder de vernieuwende ontwerpen in andere paviljoenen die ervoor zorgden dat de tentoonstelling de geschiedenis inging. Van deze tentoonstelling werd immers de naam art deco afgeleid.

Art Deco

Deze decoratieve stijl vindt zijn inspiratie in niet-westerse kunst, vooral die van Afrika en Egypte. Deze kunstvormen werden populair door de ontdekking in 1922 van het graf van Toetanchamon door Howard Carter.

De balletgroep Ballets Russes van Diaghilev en de kubistische schilderijen van Pablo Picasso (1881-1973) en Georges Braque (1882-1963) wisten de verbeelding van de ontwerpers goed weer te geven. Art deco was echter geen stijlbeweging, eerder een collectieve benadering van vormgeven.

De interactie tussen geometrische vormen, abstracte patronen en zigzag motieven, krullen en zonnestralen, alle geschilderd in schitterende kleuren; het gebruik van koper, ivoor en ebbenhout: het waren allemaal vaak voorkomende kenmerken. Door sommigen werd deze kunstvorm bekritiseerd om haar overdadigheid en beschouwd als een afwijking van de puristische theorieën van het modernisme.

Meubelontwerpers als Jacques-Emile Ruhlmann gebruikten exotische vernissen en ivoren inlegwerk in weelderige en decoratieve ontwerpen. Hij liet zich inspireren door het 18de-eeuwse design, maar actualiseerde die stijl door het gebruik van geometrische vormen en moderne materialen. Art deco bleef niet lang voorbehouden voor de rijken. Nieuwe, goedkope materialen als bakeliet konden goed worden bewerkt en werden op korte tijd populair. In Groot-Brittannië gebruikte Wells Coates bakeliet voor zijn radio-ontwerpen, wat enorm aansloeg.

In de architectuur werd gekleurd glas en chroom aangewend om een art deco-uitzicht te verkrijgen tegen relatief lage kosten, zodat het kon worden gebruikt in openbare gebouwen zoals de Odeon-bioscopen. De bioscoop zelf speelde een belangrijke rol in de popularisering van de art deco-stijl, door de architectuur en het pluchen interieur van de filmzalen.

In New York was het grootste monument van de art deco het Chrysler-gebouw van William van Alen. Deze wolkenkrabber is een weerspiegeling van de glamour van de art deco, zowel door het interieur als door de versieringen en vormen aan de buitenkant.

Heel wat beroemde designers die naam hadden gemaakt met art nouveau-ontwerpen pasten hun ontwerpen nu aan die nieuwe stijl aan. René Lalique bijvoorbeeld vervaardigde niet langer zijn organische juwelen waarmee hij bekend werd, maar schakelde over naar art deco-glaswerk, waaronder parfumflesjes, beeldjes en auto-emblemen.

De mode uit de jaren ’20

In de jaren ’20 werd de charleston de eerste van vele dansmodes die Amerika veroverden. Om de snelle bewegingen te kunnen uitvoeren, moesten de jurken korter worden om meer bewegingsvrijheid te garanderen. De vrouwen lieten zich jongenskopjes knippen en droegen vaak klokhoeden als echte baretten.

Ontwerpster Coco Chanel creëerde een look die beantwoordde aan dat nieuwe zelfvertrouwen van de moderne vrouw. Ze paste de mannenkleren aan voor vrouwen en riep het jongensachtige silhouet met platte borstkas in het leven. Die outfit werd vaak gedragen met flamboyante accessoires, maar was in de eerste plaats ontworpen voor het comfort en om de nieuwe manier van leven, waarbij een jeugdige uitstraling centraal stond, te promoten.

Het jazz-tijdperk

Populair volksvermaak beïnvloedde de smaak van het publiek. De jazz, die rond de eeuwwisseling in New Orleans was ontstaan, werd nu de toonaangevende populaire muziek. Met het ontstaan van de swing in Chicago kwamen er ook grotere muziekgroepen die speelden van de partituur. Benny Goodman, Count Basie, Artie Showen Glenn Miller waren de belangrijkste muzikanten van hun tijd. Het interieur van Radio City Music Hall in New York, dat zijn deuren opende in 1932, werd door Donald Deskey ontworpen in een art deco-stijl, waarbij jazz-motieven werden gebruikt. Gelijkaardige patronen werden gezien in textiel, behangpapier en ceramiek uit die tijd.

Suprematisten, Constructivisten En Vkhutemas

In Rusland bestond een groep kunstenaars die gedreven werden door een verlangen dat gelijkaardig was aan dat van de Nederlandse De Stijl-ontwerpers. Een van hen was Kasimir Malevitsj, die net zoals zijn collega’s een universele symbiose nastreefde tussen geometrische vormen en primaire kleuren.

Hun werk, dat de naam suprematisme meekreeg, was eerder gericht op esthetiek en geometrie dan op functionalisme. Het werd uiteindelijk verdrongen door het minder abstracte constructivistische design.

De constructivisten, met onder hen de grafische ontwerpers EI Lissitzky en Alexander Rodchenko, verafschuwden elk maniërisme en wilden kunst maken die de opkomende socialistische staat zou dienen. Die constructivistische gedachte heeft ook het VKhUTEMAS sterk beïnvloed, een geheel nieuwe avant-gardistische ontwerpersschool in Moskou die in 1920 van start ging.

De naam van de school is een afkorting van de Russische naam van dit instituut, de Hogere Artistieke en Technische Staatswerkgroepen. Net zoals bij het Bauhaus lag het doel van de school in de opleiding van kunstenaars die in de industrie konden gaan werken.

Ze had vele gemeenschappelijke kenmerken met de Duitse school: Wassily Kandinski en EI Lissitzky waren trouwens in beide scholen docent. Een van de docenten van het VKhUTEMAS, Alexander Rodchenko, ontwierp de meubels voor de Arbeidersclub op de tentoonstelling van 1925 in Parijs.

Stoffen die door zijn vrouw, Varvara Stepanova (1894-1958), samen met Lyubov Popova waren ontworpen, gingen in productie.

Anderzijds is geen enkele van de vele meubelprototypes die door de school werden ontworpen ook daadwerkelijk een industriële realiteit geworden.

Reageren is niet mogelijk