Design tussen 1940 en 1950

De Tweede Wereldoorlog had een grote impact op het design en de fabricage van vele producten. De landen die betrokken waren bij de vijandelijkheden beperkten al vrij snel het gebruik van grondstoffen en fabrieken moesten overschakelen op productie voor militaire doeleinden.

In 1941 werd in Groot-Brittannië een besparingsplan voorgesteld met als doel de schaarse grondstoffen optimaal te benutten. Het Design Panel, met Gordon Russeli als voorzitter, moest een oordeel vellen over ontwerpen vooraleer ze in productie werden gebracht. De raad volgde de principes van de Arts and Crafts-beweging, maar werd ook beïnvloed door de Europese modernisten.

Meubels moesten stevig en mooi zijn, maar de ontwerpers moesten zuinig omspringen met materialen. Sommige materialen, zoals zilver en aluminium, mochten niet worden gebruikt of waren niet voorhanden, en zelfs verfstoffen voor textiel vielen onder dat besparingsplan

Sobere ontwerpen

Het was uiteraard niet alleen in Groot Brittannië dat de fabricage van producten werd gecontroleerd. In de meeste Europese landen, de Verenigde Staten en Japan beperkten overheidsmaatregelen het onnodig gebruik van schaarse materialen.

In Duitsland ontwikkelden de ontwerpers, onder het Schönheit der Arbeitprogramma, een Arts and Crafts-stijl zoals in Groot-Brittannië. De nadruk lag daar echter voornamelijk op landelijke en rustieke ontwerpen.

In de Verenigde Staten en Japan werd de industriële productie teruggeschroefd en werden prijscontroles ingevoerd. Ontwerpers werden tewerkgesteld in overheidsprogramma’s en kregen dikwijls een nooit gekende vrijheid om te experimenteren met nieuwe materialen.

Die experimenten bleken lonend te zijn toen de ontwerpers die nieuwe materialen gingen toepassen voor de vervaardiging van allerlei producten voor de thuismarkt. Het resultaat van die besparingsmaatregelen waren sterk vereenvoudigde consumptiegoederen, gemaakt van de gewoonste materialen. Hoewel ze weinig kostten en van een goede kwaliteit waren, waren ze eerder saai en straalden ze niets van luxe uit. In veel landen bleven die maatregelen ook na de oorlog gelden, zodat de consumenten ongeduldig werden door die aanhoudende beperkingen.

‘New look’-mode

Om die reden was de nieuwe collectie van Christian Dior, die in 1947 in Parijs werd geshowd, bijzonder verfrissend. Vrouwen die kost wat kost van die praktische kleren uit de oorlogsjaren af wilden, omhelsden die ‘New Look‘ maar al te graag. Die nieuwe stijl was immers krachtig vrouwelijk, met zachte rondingen, smalle tailles, lange, wijde rokken en hoge hakken.

Ten gevolge van de rantsoenering die nog altijd gold in grote delen van Europa, waren die grote hoeveelheden stof, die nodig waren om die wijde kleren te maken, meestal niet verkrijgbaar. Sommige vrouwen hielden van die nieuwe look, anderen vonden hem extravagant en aanstellerig en vatten uit protest post voor het Huis Dior, wat dan weer bijdroeg tot zijn reputatie.

Ondanks alles werd deze nieuwe elegante stijl in korte tijd heel populair en veel ontwerpers begonnen dan ook kleren te maken naar de trant van Dior, maar dan met minder stof. Ook de mannen kregen in plaats van de vormloze oorlogspakken een slanker silhouet aangemeten.

Het Italiaanse design

In 1946 gaf de Italiaanse ontwerper Corradino d’Ascanio – die voordien helikopters ontwierp in opdracht van Piaggio – vorm aan de Vespa-scooter. Dit aantrekkelijke, gestroomlijnde, moderne voertuig werd een symbool van de naoorlogse ricostruzione (wederopbouw) en kende wereldwijd succes.

Na de oorlog wist Italië zijn reputatie als het designland bij uitstek te vrijwaren en werd het uiteindelijk wereldleider op het vlak van de vormgeving. Bedrijven als Fiat, Olivetti en Cassina namen avant-garde-designers in dienst om producten te ontwerpen die hun eigen plaats zouden kennen in de internationale handel

Nieuwe materialen

Plastic werd een almaar belangrijker materiaal na de Tweede Wereldoorlog. Het gebruik ervan heeft het uitzicht van vele producten sterk veranderd. Voordien werd plastic enkel gezien als een vervangingsmateriaal, maar na de oorlog begonnen de ontwerpers de specifieke kwaliteiten van sommige plasticsoorten te onderkennen.

Enkele voorbeelden: acryl, zoals perspex, werd in de jaren ’30 uitgevonden en voornamelijk gebruikt in meubelontwerpen en als vervangingsmiddel voor glas omdat het een licht materiaal was.

Van doorzichtig plastic, zoals pvc, werden paraplu’s en waterdichte regenjassen gemaakt.

Nylon werd door de Amerikanen gebruikt om parachutes te maken. In 1942 introduceerde Earl Tupper lichtgewicht polyethyleen bewaardozen met luchtdicht afsluitende deksels. Die soepele en tegelijkertijd duurzame producten werden bekend onder de naam Tupperware en waren verkrijgbaar in verschillende pastelkleuren.

Revolutionair was het gebruik van plastic voor de vervaardiging van moderne stoelen. Pioniers op dit vlak waren de Amerikaanse architect Charles Eames en zijn vrouw Ray, en de in Amerika wonende Fin Eero Saarinen. Tijdens de oorlog had Eames gewerkt met met glas versterkt polyester om radarkoepels voor vliegtuigen te maken.

Met die opgedane kennis kon hij in 1948 een stoel produceren, met een zitting uit een stuk gegoten, en ondersteund door metalen poten. Dit was de DAR-stoel. In tegenstelling tot de Moederschoot-stoel van Saarinen, werd Eames’ stoel niet bekleed, zodat de met glas versterkte plastic constructie zichtbaar bleef. Vele van Eames’ stoeIontwerpen werden door Herman Miller in productie genomen.

Radio en televisie

In de vroege jaren ’20 begonnen radiostations uit te zenden en het volgende decennium werd het radiotoestel steeds populairder. Maar pas bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zagen de verschillende oorlogvoerende regeringen het belang van de radio als informatie- en propaganda middel voor de eigen en de vijandelijke bevolking.

Na de oorlog begon ook de televisie het dagelijkse leven te beïnvloeden. Reeds in 1926 demonstreerde John Logie Baird een televisiezender, maar pas in de late jaren ’30 konden de beeldbuizen programma’s met een hoge beeldscherpte ontvangen.

Zoals dat met radio’s en platenspelers het geval was, werd ook de televisie ondergebracht in traditionele kasten, die hem het uitzicht van een meubelstuk gaven en zodoende niets van zijn ware functie lieten vermoeden.

Naarmate de technologie verbeterde en ontwerpers nieuwe materialen uitprobeerden, vond men oplossingen die echt aangepast waren aan de functie van de toestellen. Bakeliet kon worden gegoten, aanvankelijk om de kast aan het scherm aan te passen en vervolgens om vormen met meer expressie te creëren.

Reageren is niet mogelijk