Design tussen 1950 en 1960

Na de hel van de Tweede Wereldoorlog kwam de kilte van de koude oorlog, waarin de kapitalistische VS en de communistische Sovjetunie de hoofdrol speelden. De competitie tussen de twee politieke systemen kwam duidelijk tot uiting in het ruimtevaartprogramma. De twee grootmachten bevonden zich in een race om het leiderschap op het gebied van ruimteonderzoek.

De sovjets namen het initiatief: in 1957 lanceerden ze de Spoetnik I, de eerste satelliet die een baan om de aarde beschreef, en Joeri Gagarin was de eerste mens in de ruimte (1961).

Acht jaar later zou de Amerikaan Neil Armstrong een ‘gigantische sprong voor de mensheid‘ maken door de eerste stap op de maan te zetten. De wetenschap, de ruimtevaart en de sciencefiction werden een alles opslorpende obsessie. Wetenschappelijke motieven werden als modern beschouwd en doken overal op.

De consumptiemaatschappij

In de jaren ’50 nam het ontwerpen van auto’s een nieuwe, extravagante wending. Harley Earl van General Motors liet zich inspireren door vliegtuigen en raketten en begon de vorm van auto’s zodanig te veranderen dat ze een uitdrukking werden van het naoorlogse zelfvertrouwen van de Amerikaanse maatschappij.

Zijn auto’s waren breed, laag en zeer lang. Ze hadden een weelderig interieur. Tot de verbeelding sprekende ‘staartvinnen’, waren afgewerkt met massa’s chroom, hadden een afneembaar dak en waren verkrijgbaar in schitterende kleuren. In deze periode kwam in de VS ook de controversiële strategie van de ‘geplande veroudering‘ in gebruik.

Door kleine stilistische veranderingen konden bedrijven elk jaar nieuwe versies van hun producten op de markt brengen. Ze speelden in op het sociaal bewustzijn door het model van het jaar voordien verouderd te maken. Belangrijker was de beslissing om een ‘fysieke veroudering‘ in het product in te bouwen, waardoor het slechts een beperkte levensduur had. Het controversiële argument om deze vorm van verspilling te vergoelijken was de werkgelegenheid

Internationale stijl

In tegenstelling tot het cynisme van de ‘geplande veroudering’ waren er ook bedrijven, meer bepaald Braun in Duitsland en Saab in Zweden, die hun producten verkochten en ontwierpen ter wille van de duurzaamheid.

In 1955 was de Zwitserse industrieel, ontwerper, beeldhouwer en schilder Max Bill (1908) medeoprichter van de Hochschule für Gestaltung in het Duitse Ulm. Bill had aan het Bauhaus gestudeerd en poogde de daar ontwikkelde rationalistische benadering van design verder te zetten.

De zoektocht naar de machine-esthetiek ging nog verder. Een ontwerp moest vanaf nu vooruitstrevend zijn, het moderne leven weerspiegelen en de technologische vernieuwingen incorporeren. Deze functionalistische benadering, die vaak de Internationale Stijl wordt genoemd, kwam het duidelijkst tot uiting in de productontwerpen van de Ulmse School. Ze werd gefinancierd door te werken in opdracht en had nauwe banden met de industrie.

Een van de eerste en meest belangrijke opdrachten was een reeks radio’s en fonografen, die door Hans Gugelot en Otl Eicher voor Braun werden ontworpen. Dit droeg bij tot het ontstaan van de reductionistische designfilosofie van Braun, en de blijvende samenwerking tussen Gugelot en Dieter Rams van Braun riep het zogenaamde ‘zwarte doossyndroom‘ in het leven: alles wat niet nodig was voor het goed functioneren van een product werd gewoon weggehaald.

Zuivere lijnen, duurzaamheid, evenwicht en eenheid waren de belangrijkste kenmerken van een ontwerp. Dit maakte Braun-producten makkelijk herkenbaar. Ze waren meestal glanzend wit of zwart, met het bedrijfslogo duidelijk zichtbaar op de kast.

Transistors

Een van de belangrijkste ontwikkelingen die het uitzicht van elektronische apparatuur mee hebben bepaald was de uitvinding van de transistor in 1947 door Bell Laboratories. De transistor was gemaakt van silicium en verbruikte weinig stroom. Dit kleine, robuuste onderdeel werd gebruikt in producten zoals radio’s, tv’s en platenspelers, waar het de logge vacuümbuizen verving.

De Tokyo Telecommunications Engineering Corporation (later bekend als Sony) bracht de eerste pocketradio met transistor op de markt in 1955. In 1959 ontwikkelde dit bedrijf de eerste televisie die enkel nog transistors bevatte met een 20 cm-beeldscherm. De minuscule omvang van de transistor bood designers de mogelijkheid tot miniaturisatie van andere elektronische toestellen

Belangrijke landen

De jaren ’50 waren een hoogtepunt in het 20ste eeuwse Italiaanse design. Ontwerpers als Gio Ponti, Marco Zanuso, Marcello Nizzoli, de gebroeders Castiglioni, ‘Pinin’ Farina en Ettore Sottsass boekten grote successen voor zichzelf en voor bedrijven als Olivetti, Artemide en Brionvega. Anderzijds werd Denemarken een van de belangrijkste acteurs op de internationale designscène, bekend om zijn in serie geproduceerde meubels, het luxueuze zilverwerk en het vernieuwende textiel en behangpapier. De Scandinavische buren van Denemarken, voornamelijk Zweden en Finland, deelden mee in die designsuccessen.

Reageren is niet mogelijk