Deconstructivisme

Deconstructivisme   (1988 -2010)          Historiek

De term deconstructivisme ontstond eind jaren ‘80 van de 20e eeuw. Het was niet zozeer een designbeweging maar een algemene richting in architectuur en interieurontwerp. Anders dan de logica en orde die door het modernisme werden gedicteerd, waren gebroken en gekartelde vormen, kromme en overlappende vlakken en een soms “verontrustende” modellering typerend voor het deconstructivisme.

Het concept was afkomstig uit het deconstructiedenken, een analysemethode in de literatuurkritiek die eind jaren ‘60 door Jacques Derrida werd ontwikkeld. Derrida was van mening dat een tekst op meerdere manieren kon worden geïnterpreteerd en nooit precies kon betekenen wat er stond of kon weergeven wat het betekende.

Deconstructie probeerde de nietszeggendheid van de tekst aan te tonen door de intellectuele grondslag te destabiliseren. Derrida’s methode werd in de jaren ‘70 vertaald in een stijl van architectuur en interieurontwerp deconstructivisme die de ideeën van de rationele orde in twijfel trok en probeerde de onderliggende structuur te onthullen.

Philip Johnson organiseerde in 1988 een tentoonstelling in het MoMA in New York waar hij de stijl identificeerde aan de hand van het werk van zeven architecten, onder wie Peter Eisenman, Zaha Hadid, Frank Gehry en Bernard Tschumi. Er waren ontwerpen en tekeningen van fantasiearchitectuur te zien die een uitdaging waren voor wat in die tijd beschouwd werd als nogal bezadigde modernistische conventies.

Slechts een klein aantal deconstructivistische ontwerpen is ooit gebouwd, onder andere Tschumi’s “follies” in het Parc de la Vilette in Parijs. Door op hun tentoonstelling een nieuw “isme” centraal te laten staan, kon Johnson deze nieuwe stijlelementen identificeren en accentueren.

Al spoedig werden de architectonische kenmerken van de centrumloze ontwerpen, verwrongen geometrie, glas en metaalscherven vertaald in een grafische vormgeving die grafisch ontwerpers een kant-en-klare taal verschafte. Een aantal ontwerpers geassocieerd met de Cranbrook Academy of Art, onder wie Katherine McCoy en Lucille Tenazas, paste de deconstructivistische ideologie toe in hun werk door een multigelaagdheid van woord en beeld waardoor de boodschap multi-interpretabel is.

In de industriële vormgeving waren de radio’s van Daniel Weil gegoten in plastic waardoor de onderdelen te zien waren en de vorm van dit alledaagse product geherinterpreteerd werd.

De fragmentarische vormgeving van veel deconstructivistische ontwerpen vertonen gelijkenis met het constructivisme. De stijl wordt ook in verband gebracht met het postmodernisme.

Belangrijkste kenmerken

  • Gebruik van gebroken en gekartelde vormen
  • Multi-gelaagdheid, verdraaide geometrie
  • Afwijzing van ornamentatie
  • Wil uitdagen en blootleggen
  • Wijst historisering en ornamentatie af
  • Gebruikt multi-gelaagdheid van woord en beeld en is daardoor multi-interpretabel

Trendsetters en actoren

  • Frank Owen Gehry (geb, 1929), Architect, vormgever, kunstenaar
  • Zaha Hadid (1950), Architect
  • Peter Eisenman (1932), Architect, docent
  • Bernard Tschumi (1944), Architect
  • Katherine McCoy (1945), Grafisch ontwerper, docent
  • Daniel Weil (1953), Architect, vormgever
  • Ross Lovegrove (1958), Vormgever

Reageren is niet mogelijk